18 October 2018

Geef ons onze gegevens (terug).

Van een institutioneleOverheid naar een individueleOverheid (2)
Sinds de introductie van het “ digitale kluisje” (in 2000 als concept ; in 2001 voor een deel overgenomen in het advies van de commissie Modernisering GBA dat op haar beurt werd overgenomen door het Kabinet, behalve…het kluisje zelf !) heeft het in Nederland nooit meer de aandacht gekregen die het verdiende.De tijd zou er wel niet rijp voor zijn geweest, of, zoals sceptici het wel uitdrukten “als het zo simpel was, was het er toch wel geweest?”.
En dat terwijl je in de afgelopen 10 jaar elke dag kon lezen dat het kluisje functioneerde, zij het dat we het in handen lieten van Google, Facebook en duizenden andere bedrijven. Het droeg misschien andere namen (profiel, data portability, personal data store etc en zelfs “ digital vault”) maar het concept en het perspectief zijn hetzelfde. Met de opkomst van web 2.0 is het er ook alleen maar aannemelijker op geworden.
Helaas zijn er in het publieke domein nooit met bijv Facebook vergelijkbare pogingen ondernomen ons als burger de zelfbeschikking over onze gegevens te verschaffen (en dan laat ik het idee van gegevenseigendom nog maar even liggen). Ik heb een aantal pogingen gevolgd (e-dossier,pip,digid, b-dossier en alle “mijnditendat”-oplossingen), maar het zijn in de praktijk allemaal middelen om de dienstverleners te helpen. De burger heet centraal te staan, maar in feite is het de publieke dienstverlener die centraal staat. Natuurlijk is dat op zich een goede zaak: wij zijn maar al te zeer gebaat bij een goede dienstverlening. Maar de publieke dienstverlener en bestuurder/politicus zijn ook gebaat bij goede “ countervailig powers”, tegenwaardige krachten, van ons. En ook niet alleen wij als klanten, maar ook als “opdrachtgevers”, want dat zijn we per slot van rekening.
Was het kluisje destijds wel verder ontworpen, ontwikkeld en geïmplementeerd, dan had de wereld er nu heel anders uit kunnen zien. Dan hadden wij als burger de middelen en de positie gehad onze informatie-relaties met private en publieke dienstverleners zelf te sturen en te controleren.
Dan had het rekening rijden door kunnen gaan, hadden de slimme energiemeters niet afgestemd hoeven worden, had er een goed EPD kunnen zijn enz enz. Al dat soort onderwerpen loopt immers stuk op het gebrek aan overzicht en vertrouwen, aan onduidelijkheid over wat er nu precies gebeurt met die veelal enorme budgetten en projecten die altijd uit de hand lijken te moeten lopen.We hadden dan immers een “platform” gehad waarop alle overheidsdiensten hadden kunnen voortbouwen en waarop marktpartijen “ apps” hadden kunnen aanbieden.
Maar ook hadden we een inkijk in de kokers en ketens gehad; we hadden dan iets kunnen doen met de door iedereen bepleite transparantie en we hadden onze politici kunnen helpen. Probeer je maar eens voor te stellen hoeveel geld het had gescheeld als niet iedereen weer een eigen informatie-architectuur had hoeven ontwikkelen en implementeren; met als bijkomend gevolg dat iedereen nu opgesloten zit in zijn eigen koker en minister Schippers bijvoorbeeld weigert een zorgpas zelfs maar te onderzoeken.
Ongewenste praktijken zoals recent bij de verkoop van onze (!) tomtom-gegevens waren veel eerder (zelfs onmiddellijk) gesignaleerd. Alle overheidsbestanden hadden voor 99% correcte gegevens bevat en alle overheidsinstanties hadden alleen maar beschikt over anonieme dossiers die alleen met uitzonderings-procedures door bevoegde instanties te koppelen zouden kunnen worden aan persoonsgegevens. (Wat moeten al die instanties eigenlijk met onze persoonsgegevens? Geef ze terug!) Nu moeten we tomtom maar geloven als die beweren dat ze “ echt alleen maar anonieme gegevens hebben verkocht”.
Elders beschreef ik al hoe er in Amerika tegenover CustomerRelationManagement(CRM) een beweging voor VendorRelationManagement (VRM) is ontstaan en deze ontwikkeling lijkt zich door te zetten: er verschijnen steeds meer (buitenlandse en commerciële) zwaluwen aan de horizon. Het lijkt mij dat het tijd wordt voor een vergelijkbare beweging voor ons publieke domein: geen BurgerRelatieManagement meer (bijv onder de vlag van “ mijnoverheidsinstantie.nl) maar OverheidsRelatieManagement ! (Overigens niet in plaats van, maar er tegenover .)
Maar zie ook een nieuw amerikaans wetsontwerp mbt de bescherming van privacy en kijk naar het engelse voorbeeld van mydata, onderdeel van de kabinetsnota: better choices better deals. (zie http://www.nytimes.com/2011/04/24/business/24view.html?scp=2&sq=thaler&st=cse)
Maar ook de privacy policy van Facebook geeft hoop. Als je die leest dan begrijp je hoezeer die onderneming beseft dat “ identity-management” hun core-business is. Zij kunnen het zich niet permitteren ons van hen te vervreemden. Maar natuurlijk weet je het nooit en zijn ze niet te controleren: hun persoonsgegevens, profielen, privacy-beleid etc hadden gewoon bij ons en bij onze overheid moeten zitten.Want als onze overheid 1 kern-taak heeft dan is het wel identiteits-management.
Het defaitisme van het CBP en de NRCnext (nav de tom tom –affaire) dat onze privacy bewaken volslagen kansloos zou zijn is gevaarlijke onzin.
Wat zouden we kunnen doen?
1. De burger. Voor zelfbeschikking hoeven we niet te wachten op een juridische regeling. Er zijn alle mogelijke zelfhulp-tools, waarmee we actief kunnen schakelen (opt-in/opt-out) tussen privacy en profilering.
2. De wetgever. Hopelijk komt er een goede reactie van het kabinet op de suggesties van de commissie Grondwetsherziening. Maar los daarvan dient er zo snel mogelijk een wettelijke regeling te komen voor ons “ profiel-recht” (naar analogie met ons portret-recht). Zie ook Dommering.
3. De dienstverlener. Dient zijn architectuur aan te passen zodat er een scheiding ontstaat tussen persoonsgegevens en anonieme dossiers.
4. De politiek. De WRR heeft bij zijn iOverheid wel een punt als zij adviseert haar “ permanente commissie voor de iOverheid” rechtstreeks te laten adviseren aan het parlement. Ik vraag me alleen af waarom het parlement het dan niet beter zelf kan doen, bijvoorbeeld via een Kamer-commissie Identiteits-management. Deze kan dan ook mooi op zoek naar een Minister : het onderwerp is er belangrijk genoeg voor. Het zou ook een goede zaak zijn als de controle op identiteit en informatie onafahnkelijk en open bij het parlement zou zitten. Je kunt niet verwachten dat overheidsdienaren met vaak onduidelijke (semi-) commerciële taakstellingen “automatisch” goed met onze persoonsgegevens omgaan.

Een kip zonder kop op het verkeerde been.

Van een informatieOverheid (volgens de WRR) naar een individueleOverheid.

 

Spagaat.
De WRR adviseert de regering de huidige eOverheid te transformeren tot een iOverheid. Van een overheid die denkt en werkt in kokers en produkten naar een overheid die zich bewust is van de informatie in ketens en processen.
Het advies is gepubliceerd in een rapport van 250 pagina’s en gaat vergezeld van 1000en pagina’s rapporten en onderzoeken. De WRR schetst daarin “ zijn visie op de digitalisering van de overheid” maar ik mis een duidelijke probleemstelling.
Misschien moeten we die vinden in het volgende citaat:
“ De overheid ontkomt niet aan een spagaat: de inzet van ICT door de overheid moet het leven van burgers in diverse opzichten aangenamer en veiliger maken, maar zij moet ook waken over fundamentele rechten zoals privacy en autonomie van burgers”. Om na een tussenkopje “ iOverheid” te vervolgen met “ De zoektocht naar deze spagaat vormt het vertrekpunt van dit rapport”.
Ik weet niet of je een spagaat kunt zoeken, maar volgens mij heeft de WRR haar niet gevonden. Er wordt enorm veel aandacht besteed aan de invalshoek van de overheid , maar bijzonder weinig aan die van de burger. Het is maar een symptoom, maar toch: het woord “overheid” komt drie keer vaker voor dan “burger”. En als de burger in beeld komt is het vooral analytisch: adviezen om zijn/haar rol sterker te maken zijn er niet. De WRR beperkt zich tot het bepleiten van meer transparantie, “ versterking van het inzicht dat de burger kan krijgen in zijn of haar eigen (informatie)positie en de mogelijkheden daarin corrigerend op te treden”. Een goede zaak natuurlijk, maar corrigerend is achteraf, als het (misschien) te laat is. De WRR betrekt terecht de stelling dat ”Die emancipatie van de informatie- en rechtspositie van burgers aan de orde is…” . Ofwel: de machtsverhoudingen zijn ongelijk. Maar waar blijven de machts-middelen dan?
Veelzeggend vind ik ook dat de “ burger” en de “samenleving” slechts aan de orde komen in de epiloog en in taalgebruik dat “ de informatiesamenleving het decor vormt voor de analyse van de inzet van ICT door de overheid.” (blz 32 maar ook blz 34). Kennelijk zit de burger in het decor en levert de overheid de hoofdrolspelers.
Macht.
De adviezen reiken geen machtsmiddelen aan, maar beperken zich tot het bepleiten van een aantal adviserende instanties (permanente advies-commissie aan het parlement, een iplatform en een iautoriteit) en een verdere professionalisering van het opdrachtgeverschap bij de overheid.
Daarmee kiest de WRR er in feite voor de tanker van de eOverheid van een andere bemensing te voorzien en de stuurlui beter op te leiden; misschien komen we dan in het vaarwater van een iOverheid, maar of het een andere koers is en een aankomst oplevert is voor mij de vraag.
Waarom de betere stuurlui niet van de wal gehaald en met kleinere, slagvaardiger bootjes? Hoe wil je het (interne) opdrachtgeverschap van de overheid nu verbeteren als de externe opdrachtgevers daar niet bovenop (kunnen) zitten? De CIO’s moeten toch architecten zijn met “ macht en gezag” en geen stucadoors? Hoe voorkomen we dat politici zich als amateurs blijven gedragen (Burgemeester Cohen nav de noord-zuid-lijn). Het zou de WRR niet alleen om professionalisering moeten gaan maar vooral om politisering van het opdrachtgeverschap !
Een iOverheid zonder burgers en politici: een kip zonder kop?
Lijdend voorwerp of onderwerp?
Waarom niet voortgeborduurd en geanticipeerd op de aanbevelingen van de Staatscommissie Grondwet die de betekenis van (informatie)grondrechten wil vergroten (blz 30) en het recht op bescherming van persoonsgegevens wil verzelfstandigen (tov privacy) (blz 82) ?
Alleen als de burger een machtspositie heeft kan zij de politiek en de overheid weer gaan sturen zoals het hoort. Waarom is de burger altijd lijdend voorwerp en maar zelden onderwerp ?
Het lijkt er op dat de WRR zich aansluit bij de voorzitter van het CBP die ook vindt dat de positie van de burger beter wettelijk moet worden verankerd. Tegelijkertijd acht hij het echter volstrekt ondenkbaar dat die burger inzicht zou kunnen hebben in alle voor hem relevante bestanden. en dus (?) stelt hij (bij EPD-expert-meeting Eerste Kamer) :”Voor de verbetering van de bescherming van persoonsgegevens is het nodig dat de aandacht bijna volledig uitgaat naar de twee andere spelers in het veld: de verantwoordelijke en de toezichthouder”. Ook bij hem dus het versterken van het institutionele been van de spagaat en het opgeven van het andere.
Hoe komt het dat de WRR, het CBP , maar bijv ook de Rekenkamer (met recent rapport over open source bijv) meegaan in het denken vanuit het bestaande en in het observeren “ van binnen naar buiten” ? Waarom wordt er altijd aan het bekende been gesleuteld en nooit eens aan het andere, het individuele been waar alle nieuwe technologie nu juist op toe gesneden lijkt?
Paradigma.
De WRR noemt de overgang van een eOverheid naar een iOverheid een paradigma-verandering. De definitie daarvoor (Kuhn) zegt echter dat daar sprake van is als bestaande denkramen niet meer voldoen om geconstateerde ontwikkelingen te duiden. Maar het denkraam van de iOverheid is niet wezenlijk anders dan dat van de iOverheid: van bovenaf bekeken zien kokers eruit als een keten. Het loopt ook een beetje achter de feiten aan: men is binnen de overheid natuurlijk al jaar en dag aan het denken en werken in ketens en het “ managen op processen” lijkt zelfs tot inhoudelijke, ambachtelijke bloedarmoede te leiden. (http://www.vpro.nl/programma/buitenhof/afleveringen/44605091/items/44606396 )
Het denkraam dat wel wezenlijk anders is , is dat van de personalisatie: de voortdurende en elkaar versterkende wisselwerking tussen de behoeften aan individuele autonomie en de mogelijkheden van kleinschalige en deelbare technologie. De WRR heeft een blinde vlek voor de democratische potentie ervan . En dat verklaart ook waarom zij zo weinig aandacht heeft voor web 2.0, open (d.i. deelbare) technologie, bezuinigingen en de veranderende rol van de overheid, het belang van lokatie-gebonden gegevens. Ze heeft het wetenschappelijk uitgangspunt “ bij gelijkblijvende omstandigheden” wat al te letterlijk genomen.
Personalisatie levert een wezenlijk andere invalshoek op: mis je die, dan werkt dat in alles door. Helaas hebben marktpartijen het wel door en ook wij in onze rol van consument kunnen er goed mee uit de voeten. Als staatsburger zijn we nergens.
Een gemiste kans voor de WRR die ons op het andere been van haar eigen spagaat had kunnen zetten. En een paradox: als de WRR adviezen wel zouden leiden tot verbeteringen dan zou dat betekenen dat we nog slechter af zijn: een geprofessionaliseerde iOverheid heeft dan namelijk te maken met burgers/klanten met een relatief nog zwakkere informatie-positie. En het simpele feit dat een organisatie “ van de overheid” is of is geweest biedt geen enkele garantie dat mijn persoonsgegevens in goede handen zijn en dat mijn privacy goed beschermd wordt. De regels van Facebook bieden mij vele malen meer mogelijkheden dan die van de eerste de beste uitkerings-instantie of woningbouwcorporatie.

De overheid als platform.

1. WAT is dat nu weer?

 

Het meest aangehaalde voorbeeld op dit moment: de i-phone, niet zozeer een telefoon als wel een apparaat waarmee 100.000en toepassingen(apps) gebruikt kunnen worden.De afgelopen 5 jaar is er onder het kopje web 2.0 veel internet-technologie ontwikkeld die gericht is op ondersteuning van de vrager in plaats van de aanbieder. Bij web 1.0 denkt de aanbieder dan aan sites voor consumerende bezoekers, bij web 2.0 aan communities voor aciverende leden. Als synoniem spreekt men ook wel van sociale media (Hyves, Facebook, Twitter etc).
De laatste 2 jaar heeft men zich , onder meer nav het succes van Obama afgevraagd hoe de web 2.0 technologie toegepast zou kunnen worden bij de overheid. Die zoektocht vindt plaats onder de vlag GOV 2.0 en de centrale metafoor daarbij is die van de overheid als platform. Zie bijv http://www.gov2summit.com/gov2010 . In Nederland kan deze discussie het best gevolgd worden via www.ambtenaar20.nl .
Voor de amerikanen is dat een hele ontdekking. Voor Nederlanders zou het een feest van herkenning moeten zijn: onze overheid doet toch al eigenlijk eeuwen niet anders door te zorgen voor een gemeenschappelijke fysieke infrastructuur van wegen, dijken etc ? Nu alleen de virtuele pendant nog even.
2. WAAROM zou ik daaraan moeten geloven?
Op de vraag “ waarom al die moeite? “ schijnt de eerste beklimmer van de Mt.Everest geantwoord te hebben: “ Omdat-ie er is”.Zo is het ook met web 2.0 : de mogelijkheden zijn er en waarom zou je die niet benutten? Zeker naarmate je gaat beseffen dat ze direkt tegemoet lijken te komen aan alle idealen en oplossingen die al jaar en dag worden geuit in termen van verbetering van democratie en publieke dienstverlening.
De veel beschreven kloof tussen bestuur en bestuurde, tussen burger en overheid kan nu overbrugd en gedicht worden. De pijlers en andere materialen liggen klaar.
Het is “ alleen nog maar” een kwestie van op het andere been gaan staan en systematisch redeneren vanuit het perspectief dat de vrager initieert en stuurt in plaats van de aanbieder. Van bestuurders die kaders stellen waaraan burgers zich te houden hebben, naar bestuurders die pogen kaders te formuleren op basis van de vragen van de burgers.
Zoals hiervoor al aangestipt is een tweede reden om er positief in te stappen dat het, zeker in de europese context, een natuurlijke stap vooruit is voor onze publieke infrastructuren.
Een derde reden tenslotte is een defensieve: de burgers raken met hun individuele profielen en privacy steeds meer overgeleverd aan de Googles en Facebooks van deze wereld. Veel meer en subtieler dan ooit wel werd gevreesd bij de opkomst van de PC (IBM) en Windows(Microsoft): toen ging het nog maar om technologie, nu gaat het om inhoud! Het wordt tijd dat de overheid in dit opzicht opkomt voor haar burgers!
3. WIE krijgen er mee te maken?
Iedereen!

Bestuurders, burgers en buitenlui.
Bestuurders en hun ambtenaren in de eerste plaats omdat het er om gaat met een open mentaliteit alles beschikbaar te stellen waar burgers en buitenlui iets mee zouden kunnen. Zie bijv www.data.gov . Hoe meer toegankelijkheid , hoe meer apps! (zie bijv http://www.youtube.com/watch?v=URmKRTU-hxQ&feature=PlayList&p=C92663271D02C277&playnext_from=PL&index=19 )
Bestuurders ook omdat ze zelf meer en meer gebruik zullen (moeten) maken van sociale media en communities. Niet alleen om stemmen te winnen, maar ook om ze te houden. Ook binnen en tussen overheden zullen de communicatie-patronen veranderen. Je kunt er op wachten, maar je kunt er zeker als bestuurder ook in voorop lopen.Gebruik van web 2.0 is geen voer voor technologen , maar voor bestuurders en managers! (http://gov20.govfresh.com/open-government-in-california-connecting-citizens-to-eservices-with-social-media/
Burgers meer en meer omdat ze er al aan gewend raken bij niet-overheden en zich afvragen waarom het juist bij de overheid niet ook zou kunnen. Waarom wel een intercontinentale reis wel geheel via internet georganiseerd (en betaald!) en waarom een interdepartementale aanvraag voor een vergunning of een uitkering niet?
Burgers zullen van de overheid, van hun openbaar bestuur op 5 schakels in de informatie-keten een bijdetijdse behandeling verwachten:
In de eerste plaats zullen ze van het bestuur verwachten dat die hun (digitale) identiteit waarborgt. Niet alleen in het verkeer met de overheid, maar ook met andere partijen. Het evenwicht tussen profilering en privacy moet de burger zelf kunnen beheren.
In de tweede plaats gaat men rekenen op inter-activiteit en transparantie: men wil in de democratische processen weerwoord serieus genomen zien en in de dienstverlening wil men niet wachten. Waarom bij de eerste de beste koerier wel kunnen zien waar je pakketje is en er bij de overheid niet achter kunnen komen wie er met je aanvraag bezig is?
In de derde plaats zal men minder genoegen gaan nemen met processen die niet afgestemd zijn en organisaties die langs elkaar heen werken. Kastjes en muren accepteert men niet meer en met (gelukkig onvermijdelijk ) toenemende transparantie zullen verantwoordelijken nadrukkelijker in beeld komen. Daar staat tegenover dat burgers ook gemobiliseerd kunnen en willen worden om bij uitvoeringsprocessen te helpen. Men wil integratie en verwacht dat de technologie daartoe gestandaardiseerd zal zijn.
In de vierde schakel van de BurgerInformatieKeten wil men men een overheid die intelligent omgaat met al de gegevens die burgers haar ter beschikking hebben gesteld. Pro-activiteit waar zinnig (waarschuwing dat paspoort verloopt), passiviteit waar noodzakelijk (gebruik van gegevens voor andere doelen dan waarvoor verstrekt). De burger heeft als oorspronkelijke eigenaar van de persoonsgegevens de regie. (opt-in/opt-out).
Tenslotte verwacht men dat de ICT-infrastructuur van de overheid van deze tijd is en veilig. (zie verder hierna par 4 ).
Buitenlui die de overheid adviseren en ondersteunen zullen op het platform en keten-denken moeten anticiperen en inspelen.
4. WAAR kunnen we het vinden?
Lokatie is in de fysieke wereld een belangrijke factor, bijvoorbeeld voor de waardebepaling van onroerend goed. In de virtuele wereld is de plek waar de systemen draaien en de gegevens opgeslagen zijn steeds minder relevant. Via het web beseffen we nu meestal al amper waar we bezig zijn en de psychologie van de afstand, het idee dat het alleen op je eigen computer toegankelijk en veilig is, houdt tegen dat we “ alles op het web zetten”. Toch is dat de trend: het ongrijpbare geheel van computer-capaciteit (“ servers” die worden beheerd als waren het “ farms” bijv in Groenland want dan heb je minder koelingskosten) noemt men “ the cloud” en daar gaan ons werk en onze gegevens onherroepelijk naar toe.
Ons rest slechts het claimen van onze eigen “ web-plek”, hetzij als individu, hetzij als organisatie.

En aangezien deze trek naar de wolken al goed aan de gang is wordt het tijd voor een overheidsbeleid.
Maar lokatie is niet alleen belangrijk voor het collectief: er komen steeds meer lokatie-gebaseerde apps (zie bijv www.foursquare.com en de Nederlandse versie www.feest.je ) die bij uitstek relevant zijn voor overheidsdienstverlening.
5. WANNEER kunnen we er wat mee?
Het tempo waarin bestuurders en overheden web 2.0 kunnen oppakken wordt meer bepaald door eigen wil en inzet dan door de technologie. Het grootste probleem zit hem in de afstemming van de nieuwe web-technolgie met de bestaande systemen (de zogenoemde “ legacy”, het erfgoed aan hard en software waar alle bestaande processen van afhankelijk zijn.)en de bestaande meestal private eigenaren van die systemen.
Dit probleem betreft echter vooral de dienstverleningskant van de overheid.Het feit dat er voor de bestuurlijke en beleidsmatige processen van de overheid nog zo weinig gebruik is gemaakt van ICT maakt dat we de “ wet van de stimulerende achterstand” kunnen benutten.
Voor de democratische processen kunnen we in principe ongeremd gebruik maken van het web 2.0 –arsenaal. Natuurlijk is het wel verstandig dat planmatig te doen en rekening te houden met de mate waarin betrokkenen thuis zijn op het web.

In inspraak-processen bijvoorbeeld zien wij nu vaak tegelijkertijd een procedurele aanpak , we hebben nu eenmaal termijnen etc nodig, als basis voor allerlei processen daar om heen. Vaak frustreert de procedure de kwaliteit en het tempo van het proces en zorgt het proces ervoor dat “ er niks meer kan” .
Door met web technologie een platform te creeren, als het ware tussen proces en procedure in , kan de kwaliteit van de uitkomst verbeteren. Zie bijv http://onlinetownhalls.com
6. HOE kunnen we het implementeren?
Dat zal per organisatie/persoon verschillen.

Coase leeft nog.

In 1937 schreef Coase zijn Nature of the Firm.

Voorbij de Hypocratie.

Een prikkelende titel van een nieuw boek van Harrie Aardema, dat de dag na de raadsverkiezingen na afloop van een symposium werd aangeboden aan burgemeester Jorritsma van Almere.(samenvatting: http://www.harrieaardema.nl/samenvatting%20site.pdf )

Kijk dieper vanuit verschillende invalshoeken!

Spoorboekje Hypocratie.

Een hypocratie staat voor een “ eigentijdse invulling van de democratie “ met “ politici –maar ook bestuurders, managers en ambtenaren – die iets anders zeggen dan er kan en zal worden uitgevoerd” (blzn 156 ev). En behalve associaties met hypocrisie en hypes mikt het boek vooral op een innovatiekans van onderop, gericht op nieuwe verbinding en balans.Het wil ook vooral een empirisch boek zijn, gebaseerd op “ vele gesprekken,uitgevoerde opdrachten en observaties gedurende de afgelopen jaren”. Het geeft, denk ik, een realistisch beeld, van wat er zo al leeft en gezegd wordt door “ volks vertegenwoordigers en mensen om hen heen”. Amerikanen hebben er een mooie uitdrukking voor “ I heard it through the grapevine” : ik hoorde het om me heen, het hangt in de lucht. En misschien is dat wel de belangrijkste dimensie van de democratie: het informele, het moeilijk grijpbare, datgene waardoor het eigenlijk allemaal werkt. Niet voor niets proberen dictaturen juist die “ wijngaard” altijd droog te leggen. En je moet dus ook uitkijken haar teveel te willen regelen en plannen.

Harrie doet dan ook vooral “ zachte” aanbevelingen (blz 159) in de sferen van cultuur en leiderschap. Centraal in zijn benadering staat een schema met kwadranten voor denken en doen en voor voelen en vragen. Horizontaal vormen de eerste twee de bovenstromen (die gezeefd moeten worden) en de laatste twee de onderstromen(die gevoed moeten worden). Vertikaal zijn denken en voelen de interne en doen en vragen de externe orientatie.Op het kruispunt? IK!

In de wijngaard worden twee talen gesproken: de boven-taal en de onder-taal en het lijkt in de praktijk niet de bedoeling dat die elkaar verstaan of zelfs maar horen. Hoe gaan we de boven-verwachtingen in evenwicht brengen met de onder-praktijken.

Het lijkt mij overigens dat we dat evenwicht nooit zullen bereiken: de vier kwadranten zijn m.i. gebaseerd op natuurwetten: in de evolutie heeft de mens zijn bestaan onder meer te danken aan zijn vermogen om datgene waar het echt om gaat (overleven, vaak ten koste van een ander) te verpakken in schijnvoorstellingen, afleidingsmanoevres, verwachtingen en idealen. Vaak doet hij dat zo effectief dat het onderscheid tussen schijn en werkelijkheid maar moeilijk te achterhalen is. Lees bijvoorbeeld bij Frank Tallis en …. maar eens hoe wij  romantiek hebben uitgevonden om aan voortplanting te mogen doen.

Ik had bij “ hypo” ook nog een vierde associatie, namelijk die van de hypochondrie: de angst om een ziekte te hebben, waarvan bij onderzoek niets blijkt. Het lijkt me ook op onze democratie van toepassing: het verschil tussen de echte temperatuur en de gevoelstemperatuur, tussen de echte veiligheid en “de gevoelens van onveiligheid” en tussen meetbare werkdruk en de “ gevoelswerkdruk” die in het boek wordt beschreven.

We doen alsof we ziek zijn, maar zijn dat in vergelijking met de rest van de wereld natuurlijk nauwelijks. Het gat tussen de feiten en de beleving moet dus terug gebracht worden en daarvoor moeten politiek en overheid minder verwachtingen wekken, en moet, zoals Burgemeester Jorritsma terecht opmerkte de burger meer in staat geacht en gesteld worden de eigen boontjes te doppen.

(We moeten niet zover hoeven te gaan als de “ ingebeelde zieke” (het toneelstuk van Moliere) die er door zich dood te houden achter komt wie er echt van hem houdt.)

Drie kanttekeningen tenslotte bij het boek.

De auteur zegt in de literatuur niet veel bruikbaars te vinden over de door hem gestelde vragen. Hij lijkt zich daarbij te beperken tot de bestuurskunde, waarvan de beoefenaren en publicisten helaas bijna zonder uitzondering rondzwemmen in de bovenstroom onder het slaken van boven-talige kreten. Het zijn in de praktijk ook vooral de handlangers en rechtvaardigers van de “ politici –maar ook bestuurders, managers en ambtenaren – die iets anders zeggen dan er kan en zal worden uitgevoerd”.

Hij gaat wat al te makkelijk voorbij aan literatuur uit de werelden van marketing en media die juist het gat tussen (collectieve) verwachtingen en (individuele) acties als centraal aandachtsgebied hebben. De bovenstroom van het publieke domein heeft teveel de neiging met het kind van de commercie het badwater van de marketing weg te gooien. De “ marketing gap” is niet voor niets een sleutel-begrip in alle marketing literatuur!

Als we een wolk van veel-gebruikte termen (een “ tag-cloud” ) in de hypocratie zouden maken dan zouden informatie en communicatie hoog scoren, maar toch worden publikaties en ervaringen uit de bijbehorende disciplines niet opgezocht. Van de drie dimensies van informatie en communicatie (vorm, inhoud en technologie) komt eigenlijk allen de vorm in beeld: processen/procedures, regels, structuren etc. Daar gaan de gesprekken in de wijngaard kennelijk over.

En juist die overaccentuering van de vorm en de verwaarlozing van de inhoud lijkt mij een belangrijke oorzaak voor het uit elkaar lopen van bovenstroom en onderstroom, van management en uitvoering, van politiek en burger.

En de relativering van de inhoud en de vrees voor de technologie leiden ertoe dat computers en web-technologie nu vooral worden ingezet om de bestaande vormen te bevriezen in systemen die de status quo onveranderbaar en onwerkbaar dreigen te maken. “ Voor de zekerheid” wil men “ toch maar” alle informatie hebben, en “ eigenlijk liefst op papier”.

En het paradoxale is dat de informatie en communicatie technologie de tegengestelde ontwikkeling lijkt door te maken: zij maakt persoonlijke communicatie en profilering (leiderschap!) , inhoudelijke afwegingen en transparantie steeds beter mogelijk. De ijsvloer die zich tussen onder en bovenstroom lijkt te bevinden kan wel degelijk doorbroken worden!